De paradox tussen de maatschappelijke consensus en de politieke keuzes
Over weinig onderwerpen bestaat zoveel consensus als over levenslang leren.
Werkgevers, onderzoekers en beleidsmakers noemen het essentieel voor een toekomstbestendige arbeidsmarkt. Net daarom is het opmerkelijk dat Vlaanderen tegelijk verschillende opleidingsinstrumenten afbouwt.
Wat het beleid beweert
Over weinig onderwerpen bestaat zoveel consensus als over levenslang leren. Werkgevers, onderzoekers, onderwijsinstellingen en beleidsmakers zijn het opvallend eens: in een arbeidsmarkt die steeds sneller verandert, is blijven leren geen luxe meer maar een noodzaak.
De redenering is bekend. Digitalisering, artificiële intelligentie, de groene transitie en demografische veranderingen herschrijven jobs in een ongezien tempo. Wie inzet op wendbare organisaties en duurzame loopbanen, kan niet anders dan ook inzetten op permanente ontwikkeling van mensen.
Die consensus klinkt ook door in het beleid. Zo stelt het huidige Vlaamse regeerakkoord letterlijk: “We versterken de leercultuur in Vlaanderen door het levenslang leren te stimuleren via een kwalitatief opleidingsaanbod dat is gebaseerd op competentieprognoses.” (hoofdstuk Werk, p26). Daarnaast richtte de Vlaamse Regering in 2020 het Vlaams Partnerschap Levenslang Leren op, met als ambitieus actieplan ‘Koers zetten naar een lerend Vlaanderen’.
Recenter (september 2026) benadrukte ook de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid nog dat permanente vorming een essentiële hefboom is voor loopbaanontwikkeling. Meer opleidingsdeelname zou volgens het rapport bovendien positieve macro-economische gevolgen hebben. En de baten reiken verder dan de economie. Ook innovatie, maatschappelijke participatie, gezondheid en welzijn kunnen erbij winnen.
Kortom, over de waarom-vraag lijkt dus weinig twijfel te bestaan.
Lees verder onder de afbeelding.

Wat onderzoek al jaren aantoont
Door het aangetoonde belang van levenslang leren is er veel onderzoek verricht naar drempels en motivatie, en ook die onderzoeksliteratuur is opvallend eensgezind. Deelname aan leren is nooit louter een individuele keuze.
Neem het ‘bounded agency model’ van Rubenson en Desjardins. Hun basisstelling is eenvoudig: als opleidingsdeelname uitsluitend afhing van individuele motivatie, zouden vergelijkbare welvarende landen ongeveer dezelfde participatiecijfers moeten kennen. Dat is niet het geval. De verschillen zijn groot, wat erop wijst dat structurele, culturele en beleidsmatige factoren een doorslaggevende rol spelen.
Ook professor Ellen Boeren komt vanuit een ander theoretisch kader tot een gelijkaardige conclusie. In haar geïntegreerde model wordt opleidingsdeelname beïnvloed door drie niveaus die voortdurend op elkaar inwerken: het microniveau van de individuele lerende, het mesoniveau van organisaties en opleidingsaanbieders, en het macroniveau van beleid en systeemvoorwaarden.
De kernboodschap van beide modellen is dezelfde: de vraag is niet alleen
of mensen willen leren, maar ook of hun omgeving het mogelijk maakt. Een hoge
opleidingskost, een druk gezinsleven of een werkgever die geen ruimte creëert
voor ontwikkeling zijn geen individuele problemen. Het zijn systemische
drempels. Wie levenslang leren ernstig neemt, heeft dus ook nood aan een systemische
langetermijnvisie.
En wat doet de politiek?
Precies daar schuilt de paradox. Terwijl het belang van levenslang leren nog nooit zo breed wordt erkend, worden de ondersteunende maatregelen die dit mogelijk maken beetje bij beetje afgebouwd.
Een greep uit de recente ontwikkelingen:
- Wie hoort nog iets over het in 2020 opgerichte Vlaams Partnerschap Levenslang Leren? En waar zijn de ambities uit het actieplan ‘Koers zetten naar een lerend Vlaanderen’ gebleven?
- In de zomer van 2025 werden tal van inschrijvingsgelden in het volwassenenonderwijs verhoogd. Tegelijk staat het volwassenenonderwijs voor verdere efficiëntieoefeningen en hervormingen.
- In de recente Septemberverklaringis de kmo-portefeuille geschrapt, nochtans één van de bekendste en meest gebruikte ondersteuningsmaatregelen voor opleiding
- Het Vlaams opleidingsverlof (dat sinds 1 september al was ingeperkt), de opleidingscheques en het opleidingskrediet moeten opgaan in één Vlaams leerkrediet. Budget, doelgroep, voorwaarden en timing zijn echter nog onduidelijk. Het idee lijkt dat werkgevers de gewone bijscholing zelf financieren en dat de overheid enkel wie omschoolt naar een knelpuntberoep ondersteunt.
Opvallend is dat vrijwel alle recente hervormingen dezelfde richting uitgaan: minder publieke ondersteuning van opleiding en dus hogere financiële drempels voor lerenden.
Eerlijk is eerlijk: we leven nu eenmaal in een budgettaire realiteit waarin keuzes gemaakt moeten worden, en dit is geen pleidooi om elk bestaand instrument te behouden. Maar er is een verschil tussen gerichter ondersteunen en stelselmatig afbouwen, zonder onderliggende systemische langetermijnvisie.
Wat kunnen we in de praktijk doen?
Bij PUC – KU Leuven Continue (één
van de grootste aanbieders van permanente vorming binnen KU Leuven voelen
we in de praktijk hoe belangrijk financiële ondersteuning kan zijn voor
professionals en organisaties die in opleiding willen investeren. Een deel van
ons opleidingsaanbod wordt gevolgd met steun van instrumenten zoals de
kmo-portefeuille. Voor opleidingen buiten het reguliere, gesubsidieerde
onderwijsaanbod kunnen dergelijke hefbomen een belangrijke rol spelen in de
beslissing om al dan niet in te schrijven. Zo merken we vandaag al dat sommige
kandidaten hun inschrijving voor een postgraduaat uitstellen omdat zij opnieuw
financiering of interne goedkeuring moeten bespreken binnen hun organisatie.
Ook bij andere opleidingsverstrekkers zoals Vlerick,
werkgeversorganisaties zoals Unizo en
cursisten horen we gelijkaardige signalen: opleidingsbeslissingen worden
uitgesteld of heroverwogen.
Over de precieze impact van de recente beleidskeuzes beschikken we vandaag nog niet over sluitende cijfers. Maar het zijn wel signalen die we ernstig moeten nemen. Ze sluiten aan bij wat onderzoek al langer duidelijk maakt: wanneer de drempels om te leren stijgen, komt de deelname onder druk te staan.
Betekent dit dat organisaties machteloos moeten afwachten tot er meer duidelijkheid komt over het beleid? Integendeel.
Juist wanneer publieke ondersteuning onder druk staat, wordt het des te belangrijker dat organisaties een duidelijke langetermijnvisie op leren en ontwikkelen formuleren én die consequent uitvoeren, dit in tegenstelling tot onze beleidsmakers.
Maak daarom de business
case van niet opleiden. De vraag is immers niet alleen hoeveel een
opleiding kost, maar ook wat het kost om níét te investeren in opleiden.
Wat als cruciale competenties binnen twee jaar ontbreken? Wat als
schaarse expertise duur extern moet worden ingehuurd? Wat als medewerkers
vertrekken naar organisaties die wél actief investeren in hun ontwikkeling? En
wat als organisaties daardoor minder wendbaar worden op het moment dat
verandering zich aandient?
Die kosten verschijnen zelden onmiddellijk op een factuur. Ze staan niet
noodzakelijk in de begroting van het lopende jaar. Maar ze kunnen op termijn
aanzienlijk hoger oplopen dan de investering die vandaag wordt uitgesteld..
Jorie Soltic
Jorie.soltic@kuleuven.be
Programmacoördinator levenslang leren bij PUC - KU Leuven Continue
Jorie Soltic: Levenslang leren: mooie woorden, minder middelen...